Hoe zal ik ooit

de hoogste berg beklimmen,
en uitzien over een planeet,
stofje in het universum

die, als zij beeft op haar grondvesten,
verslagenen bijeenbreng
en beslist over leven en dood
kan ik ook maar één mensenkind
adem geven, één bloem laten bloeien
één boom groen doen zijn

al zoek ik steeds, zonder begrijpen
omdat ik niet bij machte ben ook
maar het kleinste te bevatten

van hemels blauw, van dartele wolken
langs de kustlijn, die spelen met
met mijn gedachten op de grond


 

 

 

waar zou ik liever zijn dan
in het land dat niet van mij is, en
schrijven in een taal die ik niet spreek

als ik sta in de oneindigheid
die mij zo lief geworden is
en stilgezet dit mag schrijven

loat hemel Joen wonderwaark priezen o Heer

ps 89:6 (bijbel in het Gronings)